• Document: Het Europees Aanhoudingsbevel
  • Size: 467.04 KB
  • Uploaded: 2019-01-13 12:53:52
  • Status: Successfully converted


Some snippets from your converted document:

Het Europees Aanhoudingsbevel Een onderzoek naar de gevolgen voor de rechtspositie van de opgeëiste Nederlander Open Universiteit Nederland S.M. Diekstra © 2009 Inhoudsopgave 1 Inleiding 2 Uitgangspunten van het uitleveringsrecht 2.1 Inleiding 2.2 Soevereiniteit 2.3 Vertrouwen 2.4 Wederkerigheid 2.5 Aut dedere aut judicare 2.6 Dubbele strafbaarheid 2.7 Nabeschouwing 3 Uitlevering van Nederlanders 3.1 Inleiding 3.2 Nederlanders en gelijkgestelden 3.3 De uitlevering tot 1988 3.4 Uitlevering vanaf 1988 3.4.1 Artikel 4 UW 3.4.2 Vervolgingsuitlevering 3.4.3 Dubbele strafbaarheid 3.4.3 De terugkeergarantie 3.4.4 Executie-uitlevering 3.4.5 Exequaturprocedure 3.5 Het Nederlandse model 3.6 Rechtsmiddelen 3.7 Samenvatting 4 Het Europees aanhoudingsbevel 4.1 Inleiding 4.2 Overlevering 4.2.1 Het KEAB 4.2.2 De implementatie van het KEAB: de OLW 4.3 Vervolgingsoverlevering 4.4 Dubbele strafbaarheid 4.4 Executie-overlevering 4.5 Rechtsmiddelen 4.6 Samenvatting 5 Conclusie 1 Inleiding Op 10 juli 2007 heeft de rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak van Robert Hörchner. Polen heeft een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd en hiermee de overlevering van Hörchner gevraagd in verband met de verdenking van betrokkenheid bij een cannabisplantage in 1999 en 2000. Hörchner heeft zijn betrokkenheid ten stelligste ontkend en heeft onder andere door creditcardtransacties waarvoor hij zelf getekend zou hebben getracht zijn onschuld aan te tonen bij de rechtbank. De rechtbank was echter van oordeel dat Hörchner zijn onschuld niet aanstonds heeft kunnen aantonen. De rechtbank bepaalde vervolgens dat de overlevering van Hörchner werd toegestaan. Hörchner werd overgeleverd aan Polen. Op 12 mei 2004 is de Nederlandse Overleveringswet (OLW) in werking getreden. Met deze wet is door Nederland het kaderbesluit van 13 juni 2002 van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (KEAB) geïmplementeerd. De basis voor overlevering is het Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het Europees aanhoudingsbevel is de schriftelijk vastgelegde beslissing van een uitvaardigende justitiële autoriteit van een lidstaat. Met dit aanhoudingsbevel verzoekt de ene lidstaat de aanhouding en de overlevering van een persoon door de uitvoerende justitiële autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie (EU). Vanwege de OLW en daarmee het EAB zijn er grote veranderingen teweeg gebracht binnen de Europees strafrechtelijke ruimte. Niet langer worden personen tussen de lidstaten van de EU uitgeleverd; zij worden nu overgeleverd volgens dit nieuwe systeem. De dubbele strafbaarheid die bij uitlevering voor een bepaald feit altijd vereist is, is voor het eerst ten aanzien van een aantal uitdrukkelijk vermelde strafbare feiten niet meer vereist. Ook het aantal weigeringsgronden is in het KEAB tot een minimum beperkt. Daarbij komt dat aan de nationale regeringen in beginsel geen oordeel meer toekomt omtrent de overlevering aan een andere lidstaat. De nationale rechter is nu de centrale autoriteit. 1 Het EAB heeft het mogelijk gemaakt om verdachten snel en eenvoudig tussen EU-lidstaten over te leveren. De termijn waarbinnen de lidstaat de opgeëiste persoon dient over te leveren is 60 dagen na aanhouding van de opgeëiste persoon en in uitzonderlijke gevallen 90 dagen. Vóór de implementatie van het KEAB leverde Nederland verdachten binnen de EU alleen uit op basis van een uitleveringsverdrag en volgens de Uitleveringswet (UW). De procedure tot uitlevering duurt gemiddeld 8 maanden. Duidelijk is dat men bij de totstandkoming van het overleveringsrecht een snelle en weinig ingewikkelde procedure op het oog had. Maar is er bij de totstandkoming wel voldoende rekening gehouden met de rechtswaarborgen voor de Nederlander? Deze vraag wordt des te interessanter wanneer men kijkt naar het feit dat het KEAB en daarmee de OLW zijn gebaseerd op het beginsel van wederzijds vertrouwen. Dit beginsel maakt het immers overbodig om vele rechtswaarborgen in te bouwen omdat Nederland vertrouwt op het rechtssysteem en de rechtswaarborgen van de uitvaardigende lidstaat. Deze overwegingen brengen mij tot de volgende onderzoeksvraag: Wat zijn de gevolgen van de invoering van de Overleveringswet - ter implementatie van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel - voor de rechtspositie van de opgeëiste Nederlander vergeleken met de situatie daarvoor? De onderzoeksvraag richt zich op de rechtspositie van de opgeëiste Nederlander die zich in Nederland bevindt op het moment dat het verzoek tot uit- en overlevering wordt gedaan. De ‘inlevering’, oftewel de uit- of overlevering aan Nederland, valt niet onder het bereik van dit onderzoek. Volledigheidshalve merk ik hierbij op dat in dit onderzoek de

Recently converted files (publicly available):